Koppel-teken/s |4
'Koppel-teken/s |4, Blockbuster' is de vierde expo in onze reeks rond de band tussen twee kunstenaars, een gevestigde waarde en een aankomende. In 2026 kiezen we samen met curator Willem Elias voor Koen van den Broek en Charlotte Vandenbroucke.
Koen van den Broek (°1973)
Koen van den Broek woont en werkt in Antwerpen. Hij studeerde eerst architectuur en daarna schilderkunst en is naar eigen zeggen ondanks zijn opleiding schilderkunst, altijd in wezen architect gebleven. Al sinds zijn studententijd reist Van den Broek intensief de wereld rond. Hij maakt tijdens die reizen telkens foto's van de architecturale ingrepen van de mens in het landschap.
In het werk van Koen van den Broek staan verlaten landschappen centraal waarin de mens afwezig lijkt, maar nooit helemaal is verdwenen. Hij schildert wat achterblijft: sporen op wegen, straten en verlaten huizen. Door zijn aandacht voor wegen en grenzen in schijnbaar lege omgevingen formuleert hij een eigenzinnige visie op het landschap. Van den Broek kijkt niet vooruit, maar omlaag, naar scheuren in het asfalt, boordstenen en schaduwen, en vindt net daar de weg richting abstractie.
Werk van Koen van den Broek maakt deel uit van belangrijke publieke collecties, waaronder LACMA (Los Angeles), SMAK (Gent), M HKA (Antwerpen), Busan Museum of Art (Busan), San Francisco Museum of Modern Art, Astrup Fearnley Museet (Oslo), Staatliche Kunsthalle (Karlsruhe) en Museum Dhondt-Dhaenens (Deurle). Zijn werk werd gepresenteerd op de Biënnale van Venetië (2015 & 2017), bij White Cube (Londen), Kunstmuseum Bonn, het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen en Brussel, Seoul Arts Centre (Seoul), Kunsthalle Mannheim, Royal Academy (Londen), MAS (Antwerpen) en Kunsthal (Rotterdam). Daarnaast is zijn werk ook te vinden in tal van publieke ruimtes in België, zoals de Hofkamer (Antwerpen), ’t Zilte (MAS, Antwerpen), AZ Sint-Maarten (Mechelen) en het Provinciehuis (Hasselt).
Foto Koen van den Broek: Courtesy of Gallery Baton. Photo by Yoo Youngjin
Website:
Instagram: @studiokoenvandenbroek
Curator Willem Elias over Koen van den Broek
Koen van den Broek (Bree, °1973) behoort tot de meest succesrijke Belgische kunstennaars van de huidige artistieke scène. Hij wordt vertegenwoordigd door een zeer invloedrijke galerij, Greta Meert in Brussel. Tevens heeft hij snel zijn weg gevonden in de internationale kunstwereld. Eerst in de White Cube te Londen, waar ook Damien Hirst thuis hoort. Nadien in Los Angeles, zowel als in Korea. Grote namen zoals de pas overleden John Baldessari (°1931 / + 2/1/2020) behoren tot zijn vrienden. Ik verwijs niet zomaar naar deze betreurde grootmeester, maar wel omdat het veel zegt over de kunstenaarsattitude van Koen. Hij zweert niet bij de schilderkunst, maar is ook zeer geboeid door bijvoorbeeld conceptuele kunst. Hij is overigens een goed vertegenwoordiger van de evolutie sinds de jaren tachtig die uit de opvatting bestaat dat deze twee werelden niet per se gescheiden moeten zijn. Schilderkunst kan ook conceptueel zijn. De tijd dat concepten enkel geformuleerd dienden te worden om kunst te zijn, is lang voorbij. Schilderkunst heeft een groot auto-reflectief karakter gekregen. Ze durft haar eigen code te tonen.
Dit succesverhaal kondigde zich aanvankelijk minder beloftevol aan. Eens als brave collegejongen de Latijn-Wiskunde doorlopen, moest hij van thuis uit iets doen waar het brood mee verdiend kan worden. ‘Kunstenaar’ staat niet op die lijst. Hij koos dan maar voor ingenieur-architect aan de KUL. Hoewel hij met die studie geen moeite had, werd zijn verlangen om creatief bezig te zijn, niet voldoende gevoed. Dan maar naar de Academie van Antwerpen, niet zonder eerst het toelatingsexamen te hebben herkanst. Maar ook dat schoolsysteem lag hem niet. Volgzaamheid ligt niet echt in zijn aard. Dat beterde niet nadat hij overgestapt was naar Sint-Joost, een hogere kunstopleiding in Breda. Ondertussen was hij bevriend geworden met de rasschilder, Fred Bervoets. Vriendschap kan ook een goede leerschool zijn. Hij heeft veel opgestoken van die gesprekken op plaatsen waar men een oplossing aanbiedt voor een te droge keel.
Eind de jaren negentig, vindt hij toch een plek die hem zal vormen als schilder, nl. het HISK. Het HISK staat voor Hoger Instituut voor Schone Kunsten, een artistieke post-graduaatsopleiding. Omdat ‘schoonheid’ vanaf het ontstaan van de modern kunst (+/- 1850) niet meer de hoofdwaarde is van de kunst, gebruikt men doorgaans de afkorting, eerder dan de wat oubollige naam, die nog stamt van zijn voorganger, het NHISK, dat nog nationaal was. Anderzijds is zo’n knipoog naar het verleden ook mooi. Vernieuwing en traditie bepalen nu eenmaal de schommelingen in de kunstgeschiedenis. Verder gaat het ook niet over ‘lelijke’ kunst. Men zou kunnen zeggen dat er vooral niet één schoonheid is, nl. de academische, maar dat er veelheid aan schoonheden zijn. Belangrijkste is dat er een krachtige vorm gevonden wordt met betekenis.
En dat heeft Koen van den Broek daar gevonden, zelf gevonden, weliswaar onder stimulans van de vele internationale gastdocenten die er met hem over de evolutie van zijn werk kwamen praten. Ook een trip naar de Verenigde Staten heeft zijn blik geopend. Een sleutelwerk hiervoor is een schilderij waar een oude rode vrachtwagen in een desolate woestijnachtige ruimte staat te staan. Onmiddellijk voelt men dat het hier om het grijpen van de ruimte gaat en niet om het vastleggen van het beeld van de auto. De afwezigheid van de mens zal ook kenmerkend blijven voor het werk van Koen. De mens wordt niet voorgesteld. Er zijn enkel sporen van zijn aanwezigheid. Die sporen vormen de tekens van zijn ruimte die zijn leven oriënteren, zijn blik richting geven. De gesuggereerde invalshoeken zijn het noorden kwijt. Wat van de toeschouwer een zoeker maakt. Daardoor is eigenlijk de kijker de mens in het werk, waardoor er een participatieve ervaring ontstaat. Koen stuurt ons met kluitjes het riet in. Maar zijn landschappen bevatten geen riet, ze staan ver van de natuur. Ze zijn stedelijk of desperaat verbrokkelde woestenijen.
In de lijnen die de blik wijfelend richting geven zijn verfstroken herkenbaar geworden als borduren. Ze werden zijn handelsmerk. Enerzijds is zo iets zeer authentiek, in de zin dat er sprake kan zijn van zeer herkenbare drempels zoals men die alleen in zijn werk vindt. Anderzijds is zo’n herkenbaarheid ook gevaarlijk want het kan clichématig worden. En kunst heeft nu eenmaal als doel de gemeenplaatsen minder gemeen te maken. Zijn laatste tentoonstelling bij Greta Meert, was wat dat betreft geruststellend. Hij blijft een zoekende met nieuwe wendingen en wisselend kleurgebruik.
Willem Elias
Charlotte Vandenbroucke (°1993)
Charlotte Vandenbroucke behaalde haar Master of Fine Arts aan Sint-Lucas in Gent, de stad waar ze woont en werkt. Haar praktijk strekt zich uit over schilderkunst en sculpturaal werk en raakt aan de grens van beide disciplines. Met een individuele en onconventionele benadering van de abstracte beeldtaal creëert zij een persoonlijk universum, waarin materie, vorm, inhoud en proces doordacht en betekenisvol samenkomen. Door een intensieve bewerking en structurele manipulatie van ongebruikelijke materialen ontstaan werken met een uitgesproken fysieke en emotionele aanwezigheid. Haar werk nodigt uit tot traagheid, aandacht en reflectie, waarbij ze voorbij wil gaan aan de grenzen van de visuele waarneming.
Haar werk was onder meer te zien in S.M.A.K. (Gent), Dauwens & Beernaert Gallery (Brussel) en Nosbaum Reding Gallery (Brussel), en is opgenomen in de collecties van Museum Voorlinden (Nederland) en Merode (Ronse).
Instagram: @charlottevandenbroucke_
Curator Willem Elias over Charlotte Vandenbroucke
Kunstenaars plegen zich de laatste decennia te positioneren in de kunstgeschiedenis. Zij zoeken een eigen bijdrage te leveren via niet ontegensprekelijke dialogen met de grondleggers van moderne stromingen en met citaten uit de gehele kunstgeschiedenis.
Om het werk van Charlotte Vandenbroucke te situeren, komt men snel tot drie lijnen. Ze heeft iets met het zwarte vlak als terugkomend gegeven. Ze wentelt zich gezellig in de arte povera en in de materiekunst op haar eigenzinnige wijze, zonder ook maar een duimbreed toe te geven aan haar eigen ‘vormwil’ om eens een term van Aloïs Riegl te gebruiken. Zelfzeker niet zonder enige nervositeit danst ze rond haar werk zichzelf bevragend over haar tevredenheid met het resultaat, een zelf gerolde steeds maar uitdovende sigaret in de hand, symbool van vrouwelijke creativiteit. Ze mogen er zijn haar werken. Wat foto’s van monochromen zelden bereiken, wordt via rechtstreeks oogcontact bewerkstelligd, zelfs het dode zwart begint te leven. Over het zwarte vlak in de kunst ga ik het hier niet hebben. Om dat te duiden is er een boekdeel nodig. Wel iets over arte povera en materiekunst.
Arte Povera
In 1967 bracht de criticus Germano Celant in Genua een aantal Italiaanse kunstenaars in een tentoonstelling samen onder de naam ‘arte povera’, ‘arme kunst’. De armoedigheid van deze kunst is niet alleen gelegen in het vaak goedkope materiaal, maar ook in de poging om een zuivere houding aan te nemen tegenover de kunst. Een kunst die een alternatief zou moeten zijn voor de consumptiemaatschappij. Een kunst die ervoor zorgt dat kunst en leven, natuur en cultuur elkaar kruisen. Ze trachten een subjectief begrijpen tot stand te brengen van materie en ruimte die de ervaring van de primaire energie moet toelaten. Onder ‘primaire energie’ wordt de energie verstaan zoals die aanwezig is in alle aspecten van het leven, energie die onmiddellijk ervaren wordt en niet via de voorstellingen van het leven, of via ideologieën en clichématige talen.
Materiekunst
Bij de materiekunst wordt dan vooral de nadruk gelegd op het feit dat verf soms vermengd wordt met materialen die daar normaal niet thuishoren: zand, textiel, hout, glas, metaal en stro. De materie wordt nog sprekender wanneer erin gekrast wordt.
Kern van deze benadering is dat het materiële deel van het tekensysteem dat men ‘kunst’ noemt, de betekenis mee voortbrengt. Niet enkel de vorm spreekt, het materiaal heeft ook zijn zeg. Dit wordt pas echt duidelijk wanneer men de vorm negeert en er als het ware een antivorm van maakt. Als ook vormloosheid betekenis kan produceren, dan kan dit enkel het bewijs zijn dat de materie daar de oorzaak van is. Het impliceert tevens dat het vormloze niet loos is, maar een evenwaardige vorm is naast de erkende en de behoorlijk bevonden geijkte vormen.
Charlotte Vandenbroucke
Charlotte Vandenbroucke doet er haar eigen ding mee. Roofing en teer zijn haar lievelingsmaterialen, niet onmiddellijk te associëren met de zachtaardigheid van een teddybeer. Charlotte bedwingt ze. Ze worden gekneed en men krijgt zin ze te aaien. Zo de tafel met twee stoelen, het centrale werk in de tentoonstelling. “Mag ik er eens aanzitten” durfde ik niet te vragen bij mijn atelierbezoek. “Niet aanraken” straalden ze zelf uit. De stoelen staan overigens zo geschikt dat ze niet aanzetten tot zitjes voor een gezellige babbel. Op de scène van het toneelstuk Waiting for Godot van Beckett zouden ze niet misstaan. Vervreemding is inderdaad een kenmerk van haar werk, door het ontvreemden van materialen. Naast pek gebruikt ze ook veel metalen als materie. Het duistere van haar gemoed probeert ze te spiegelen in opgeblonken delen ervan. Zo trekt ze ook de toeschouwer mee in het bad. Dat ’Ken uzelf ‘, flauwe kul is, een orakelspreuk goed voor op tempels, laat ze zien via spiegels die spiegelend verder spiegelen. Het ‘vlottende’ van de betekenisproductie, zoals de post-structuralisten ons leerden.
Haar tafel is een object, geen gebruiksvoorwerp, zoveel is duidelijk. Het blad kan vertikaal bekeken worden. Terugkomend gegeven is het spel tussen concreet en abstract, tussen gebruik en beschouwing als mogelijk relatie met de dingen. Relaties mogen niet vast gehecht geraken. Dat toont de kunst ons.
Voor de materie-effecten sluiten grafiet en houtskool goed aan bij roofing. Hier zit wel aansluiting met de klassieke middelen van het tekenatelier. Rubber dan weer niet, maar het past bij het ongepaste van de supplementaire materies. Het is niet al zwart dat blinkt. Om kleur te brengen maalt ze zelf gevonden stenen, ook zeer tactiel.
Haar zoektocht naar het fundamentele, niet om het te funderen, maar om het te laten kantelen, is het koppel-teken dat ze met het werk van Koen van den Broek vormt.
Willem Elias